vereniging Hendrick de Keyser

Bouwers in het verleden

Pleisteraars en stucwerkers

18de-eeuws stucwerk in Noordeinde 5 in Monnickendam (foto Henk Snaterse)

In de middeleeuwen en renaissance kregen binnenmuren van belangrijke huizen meestal een pleisterlaag. Een ‘pleysteraer' of ‘kalcksneyder' was een ambachtsman die wanden, gewelven en plafonds bepleisterde met een laag die bestond uit leem of kalkmortel. De natte kalkmortel werd vermengd met zand en andere toeslagmaterialen om water te binden, de verharding te versnellen en de lagen stevigheid te geven. Uit oude rekeningen en vondsten blijkt dat de pleisterlaag soms van een kleur of zelfs een beschildering werd voorzien. Vanaf de late 16de eeuw komen sporadisch in Nederland stucdecoraties op plafonds voor. Bij de vroege voorbeelden omkleedde de pleisteraar de balken met leemstuc en voorzag deze van decoraties.

Delft - Fundatie van Renswoude (foto Reindert Groot)

Stucwerk beleefde echter zijn grote bloeiperiode in het Nederlandse interieur in de 18de eeuw. De Vereniging bezit verschillende hoogtepunten uit de stuccultuur in ons land zoals het rococo stucwerk van Joseph Bollina in Delft, de interieurs van Noordeinde 5 in Monnickendam en Bovenbeekstraat 21 in Arnhem en het stucwerk in Wagenaarstraat 1 en Gortstaat 30 in Middelburg.

Ondertekening voor stucwerk in Het Zeepaert in Dordrecht

Het waren Noord-Italiaanse vaklieden die in de 18de eeuw naar Holland kwamen en een belangrijke rol speelden in het maken van decoratief stucwerk op wanden en vooral plafonds. Tegen de balklagen werd op een drager van latten, een ruwe leem- of kalkmortel aangebracht, gewapend met stro of riet. Op deze onderlaag werd een fijnere mortellaag gesmeerd (het rapen). Door het gebruik van gips en marmerpoeder kon zeer fijn werk worden gemaakt. Om de laag consistentie te geven voegde de stukadoor wel koeien- of paardenhaar toe. In de nog vochtige raaplaag schetste de stucwerker de ornamenten en voorstellingen met houtskool of krijt. Deze werden vervolgens met de hand en met boetseerinstrumenten (troffel en paleerijzer) gemodelleerd. Zeer hoge reliëfs vulde men op met koperdraad en riet. Rond de geboetseerde ornamenten trok de stucwerker lijsten met behulp van houten mallen. Het plafond werd afgewerkt met stuifkalk (witsel).

Stucwerk door Christiaan Wittenbeeker in het Gemeenlandshuis aan de Diemerzeedijk in Amsterdam