vereniging Hendrick de Keyser

Glossarium

Bouwkundige termen, op alfabetische volgorde

Amsterdam - Huis Van Brienen (foto Otto Kalkhoven)

Voor een gedetailleerd en geïllustreerd overzicht van bouwkundige termen zie: E.J. Haslinhuis en H. Janse, Bouwkundige termen, verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie, Leiden 2001.

  • Architraaf: onderste lijst van klassiek 'hoofdgestel'. Ook lijst rond een deur. 
  • Attiek: verhoging van een gevel boven de kroonlijst waardoor het dak grotendeels uit het zicht blijft.
  • Balklaag: rij balken die een vloer dragen.
  • Bedstede: getimmerde slaapplaats, afgescheiden van een vertrek.
  • Boezem: rookvangend deel van schoorsteen of schouw, vaak bekleed met een 'schoorsteenmantel'.
  • Bordes: platform bovenaan een trap of tussen de treden.
  • Borstwering: opstaand deel van een muur boven de vloer.
  • Bovenlicht: venster boven een deur waardoor licht de gang in valt. Soms voorzien van een snijraam.
  • Enkelvoudige balklaag: dragende balkconstructie die uit dicht bij elkaar liggende balken bestaat waarop rechtstreeks de vloerdelen rusten.
  • Festoen: in steen gehouwen decoratieve slinger van bladeren, bloemen en vruchten.
  • Fries: brede lijst, onderdeel van het hoofdgestel tussen 'architraaf' en 'kroonlijst.
  • Fronton: driehoekige of gebogen bekroning van een gevel of venster.
  • Gebint: samenstel van stijlen, balk en korbelen dat dakconstructie ondersteunt.
  • Gek (of kwibus): met de wind meedraaiende kap op een schoorsteen. Van hout of metaal.
  • Gording: horizontale draagbalk tegen de schuinte van de kap. 
  • Halfzuil: halve zuil tegen een gevel.
  • Insteekverdieping: vertrek in het voorhuis, tussen begane grond en eerste verdieping.
  • Kalf: vaste horizontale balk tussen deur en bovenlicht of tussen onderste en bovenste raam in een venster.
  • Kapiteel: bovenste onderdeel van een klassieke zuil of pilaster.
  • Keulse goot: goot die het regenwater binnendoor over de zolder naar een buitengoot voert.
  • Keur: stedelijke bouwverordening.
  • Kinderbinten: dunne balkjes die op een 'moerbalk' liggen en vloerdelen ondersteunen.
  • Klauwstuk: gebeeldhouwd element aan weerszijden van een geveltop.
  • Klezoor: kwart deel van een baksteen, toegepast in 17de en vroeg 18de-eeuws metselwerk.
  • Kolossale orde: klassieke 'zuilen' of 'pilasters' die doorlopen over meer dan één verdieping.
  • Kop: breedte van baksteen.
  • Korbeel: onderdeel van een houtconstructie, tussen staande stijl en liggende balk.
  • Kozijn: houten omlijsting van een venster, waarin de ramen zijn bevestigd.
  • Kroonlijst: bovenste vooruitspringende lijst van een klassiek 'hoofdgestel'. Soms voorzien van blokjes of tanden.
  • Kruiskozijn: kozijn dat met vast kalf en middenstijl in vier delen is verdeeld. 
  • Moerbalk: zware balk die 'kinderbinten' draagt.
  • Neut: houten of stenen blokje, waarop een kozijn of muurstijl rust.
  • Nok: snijlijn van twee vlakken op een dak.
  • Nokvorst: dakpan op de nok van een dak.
  • Pen en gat: houtverbinding waarbij een houten nagel (de pen) in een gat wordt geslagen.
  • Pilaster: vlakke, gestileerde zuil tegen een gevel. Voorzien van basement en 'kapiteel'.
  • Pinakel: decoratief gotisch element in de vorm van een torentje.
  • Pothuis: uitbouw op de stoep van een huis op souterrain niveau. Vaak bestemd voor een keuken of werkplaatsje.
  • Pui: onderste deel van een gevel.
  • Puibalk: dragende balk boven de pui.
  • Regel: horizontaal balkje tussen twee stijlen.
  • Risaliet: vooruitspringend deel van de gevel (in het midden of op de hoeken).
  • Rollaag: gemetselde stenen op hun kant, meestal onderdeel van een geveltop.
  • Schoorsteenmantel: betimmering van de 'boezem' van een schoorsteen.
  • Schouw: stookplaats, waarboven een schoorsteen is aangebracht.
  • Schuifvenster: venstertype met een omhoog schuivend raam in een kozijn. Vanaf de late 17de eeuw toegepast.
  • Secreet (of gemak): eenvoudig toilet zonder waterspoeling.
  • Sleutelstuk: horizontaal stuk hout dat verbonden met een muurstijl en korbeel een balk ondersteunt. 
  • Snijraam: decoratief raam in een venster boven een deur. 
  • Spant: samenstel van stijlen, balken en schoren dat de onderdeel van een kap draagt.
  • Speklaag: natuurstenen band in het metselwerk.
  • Sporen: dunne balken die de daklatten en het dakbeschot draagt.
  • Spreidsel: zeer dun eikenhout dat over de 'kinderbalken' ligt.
  • Stijl: verticale balk, onderdeel van een houtconstructie.
  • Strek: lengte van baksteen
  • Stucwerk: decoratief pleisterwerk.
  • Timpaan: verdiept liggend veld, vaak gevuld met beeldhouwwerk, in een fronton.
  • Vlucht ('op vlucht bouwen'): vooroverhellen van een gevel.
  • Voluut: krulvormig ornament.
  • Waterlijst: horizontale gemetselde lijst, waardoor water buiten de het gevelvlak laat druipen.
  • Zakgoot: goot tussen twee dakvlakken of tussen een dakvlak en een muur.
  • Zuilenorde: een van de klassieke zuilenvormen: Toscaans, Dorisch, Ionisch, Korinthisch of Composiet. Elke zuilenorde heeft een eigen basement-, zuil en kapiteelvorm, verhoudingen en lijstwerk.